Ontwikkeling, mobiliteit en communicatie : Enkele observaties in Uganda.

Eric Hobsbawm, een invloedrijke historicus, schrijft over de 20ste eeuw dat het belangrijkste kenmerk daarvan wellicht de enorme veranderingen zijn in mobiliteit en communicatie.
Tijd en afstand vervagen steeds meer, of worden steeds minder een obstakel, terwijl het voor steeds meer mensen mogelijk wordt om regelmatig te communiceren met vrienden, familie of zuiver onbekenden. Het zijn symptomen die uiteindelijk zullen leiden tot wat we nu globalisering noemen.

Ook Uganda is al enige jaren in de ban van de gsm. Daarover zijn enkele interessante observaties te maken, en tegelijk enkele kritische bemerkingen.
In een land waar vooral armen leven lijken mensen toch bereid om een vrij groot deel van hun inkomen (?) te spenderen aan beltegoed. Om de zoveel honderd meter vind je wel een ‘airtime’-venter of iemand die een belwinkel bemant. Die belstalletjes zijn een typisch verschijnsel hier. De infrastructuur is simpel : een houten kruk met een telefoon op. Die telefoon is draadloos verbonden met de centrale van de telefoonmaatschappij, het is dus eigenlijk een gsm, vermomd als een klassiek toestel. Op die manier kunnen mensen die geen gsm hebben toch nog bellen en worden ze zo ingelijfd als consument.

De impact van mobiele telefonie is enorm in de Westerse wereld, op sociaal én economisch gebied. Maar vermoedelijk is zij nog immenser in de ontwikkelingslanden, waar zij het bestedingspatroon van vele miljoenen mensen volledig veranderd.
Ten koste van welke andere vitale uitgaven gaat dit ? (schoolgeld, eten, gezondheid, sparen, …)

Anderzijds geven deze communicatiemogelijkheden onvermijdelijk kansen en moeten ze beschouwd worden als een vitaal element in de vooruitgang, ontwikkeling of bevrijding van sommige individuen, maar ook van groepen mensen.
Het is daarom belangrijk dat zoveel mogelijk mensen toegang hebben tot communicatiemiddelen om daarmee nieuwe kansen te scheppen voor zichzelf, hun familie, hun gemeenschap. Naast telefonie is internettoegang dan ook een belangrijke graadmeter om de ontwikkelingscapaciteit van een land te beoordelen.

In Uganda zijn er 200.000 internetabonnees. Dat is zeer weinig, als je in beschouwing neemt dat alle bedrijven, expats, publieke instellingen in dat getal zijn meegerekend. Ugandezen zijn dan ook aangewezen op internetcafé’s of enkele computerparken in publieke instellingen om het internet te raadplegen. Dit komt er dus op neer dat een overdonderende meerderheid niet kan e-mailen, maar ook geen toegang heeft tot de informatie op het net. In een land waar de geschreven pers weinig voorstelt en de openbare omroep beperkte en gekleurde informatie geeft betekent dat een dramatische verkleining van ‘het venster op de wereld’ dat mensen hier hebben. Toch is een geglobaliseerde wereld maar te begrijpen wanneer mensen ook een min of meer globaal perspectief kunnen innemen. Combineer dit beperkte zicht op de wereld met vaak gebrekkig onderwijs en je weet hoe laat het is.

Hobsbawm ziet nog een tweede evolutie : de toename in mobiliteit. Ook in Uganda is dat het geval. De weg die bvb. Fort Portal met Kampala verbindt , 300 km. lang is (bijna) volledig geasfalteerd en betekende een merkbare verbetering in de ontsluiting van de regio. Er zijn heel wat openbare werken uitgevoerd en/of gepland en dat is ontegensprekelijk een goede zaak. De enige spoorweg van het land die Kasese met Kampala verbond is jammer genoeg in onbruik geraakt.
De keerzijde van deze uitstekende wegen is dat zij de slecht onderhouden (vracht)wagens en (mini)bussen toelaten om veel te snel te rijden. Nergens vallen meer doden op de weg dan in Uganda. Het is dan ook doodsoorzaak nummer één, nog voor HIV/AIDS, bij jonge mensen. De slachtoffers zijn vaak mensen langs de weg of inzittenden van de overvolle taxibusjes.
Ondanks het feit dat olieprijzen tegenwoordig sterk dalen, stijgt de prijs aan de pomp hier in Uganda. Dat is onbegrijpelijk, maar sommigen zeggen dat schommelingen in de wereldeconomie pas drie maand later voelbaar worden in dit land. De mensen leven dus op hoop. Brandstof is niet alleen vaak duur, het is ook schaars. Vandaar ook de prijsstijging wellicht.
De meeste Ugandezen gaan dan ok te voet, en maken gebruik van boda-boda’s of ander gehuurd transport voor langere afstanden. Omdat er in vele dorpen of streken geen werk is moeten zij zich bovendien vaak verplicht verplaatsen naar andere streken en worden ze zo verplicht om een deel van hun schaarse verdiensten te investeren in hun mobiliteit.
Het is enigszins anekdotisch, maar voor de meeste lokale ngo’s gaat het geld vooral op aan verplaatsingsonkosten. Dat is erg jammer, omdat dit eigenlijk perifere kosten zouden moeten zijn, en de hoofdmoot van hun budget zou besteed moeten kunnen worden aan hun hoofdactiviteiten.

Een auto kopen en onderhouden is hier bovendien ook heel duur. Een vijftien jaar oude Japanse importwagen kost hier zo’n 6000 €. In Europa zou die er misschien 2500 kosten.
Wanneer we mobiliteit dus als een graadmeter voor ontwikkeling nemen moeten we vaststellen dat het land nog een lange weg te gaan heeft.

Beperkte mobiliteit en communicatie zouden kunnen doen besluiten dat Uganda niet in de 21ste eeuw leeft. Niks is minder waar echter. Alleen zijn grote inspanningen nodig van een internationale gemeenschap, maar meer nog van de lokale politieke verantwoordelijken om hierin te investeren. Ugandezen zijn immers net als iedereen op deze wereld onomkeerbaar betrokken bij wat er in Washington, Brussel, Bejing of Moskou wordt beslist of gebeurt…
een uitdaging voor de komende jaren dus.boda-phone

~ door Ysen op 30 december , 2008.

Reageer